richardengelfriet.nl

Home » Articles posted by Richard Engelfriet

Auteursarchief: Richard Engelfriet

Wat is het ergste kantoorwoord van 2018?

Ik mocht voor het Algemeen Dagblad de lijst van ergste kantoorwoorden van 2018 samenstellen. Welk woord vindt u het ergste? (meer…)

Mag ik even iets tegen je aanhouden?

Onderstaande tekst is een bewerking van de speech die ik gaf tijdens de presentatie van het boek Mag ik even iets tegen je aanhouden van Japke-d Bouma op 17 oktober 2018 in Amsterdam.

Vandaag vormt een markeringspunt in een belangrijke ontwikkeling. Dit vraagt om een efficientieslag stroomopwaarts in de keten. Een term die bij dergelijke vraagstukken direct valt is agility, ofwel het meer responsief maken van de supply chain. Vooral in de verssector is dit een belangrijke uitdaging, aangezien hier vaak sprake is van verstoringen in zowel de vraag als het aanbod.

Vanwege de continue replenishment wordt in versketens voortdurend geschakeld op basis van wat er op de winkelvloer gebeurt. Op basis van end-to-end transparantie en datakwaliteit wordt de keten steeds beter afgestemd op de vraag. Naast het vraaggestuurd inrichten van de keten is differentiatie ook een optie. Hierbij kan door event-besturing de onvoorspelbaarheid van bijvoorbeeld een slechte oogst geadresseerd worden.

U heeft waarschijnlijk geen idee wat ik zojuist heb gezegd.

Maar ik weet wel dat al deze zinnen letterlijk zijn uitgesproken. Ik was er namelijk zelf bij. Mijn naam is Richard Engelfriet. Ik ben in het dagelijks leven dagvoorzitter. Simpeler gesteld: ik praat congressen aan elkaar. En dat is erg leuk. Het is een voorrecht om in alle wereldjes te mogen kijken. Ik heb congressen geleid met politieagenten, schoonmakers, dierenartsen, journalisten, automonteurs, minister-presidenten, boze burgers, wetenschappers en kozijnspecialisten.

Mijn vak heeft echter 1 groot nadeel: je komt ook nogal wat clichediarree tegen. Afschuwelijk jargon. Vooral managers, bestuurders en goeroes zijn er dol op: gewichtige taal waarmee je eigenlijk niets zegt. Wie wil er immers geen pro-actieve synergetische win-win-situaties creëren met de factor mens?

Volgens mij gebruiken mensen dit soort taal om te verbloemen dat ze het zelf ook niet weten. Of ze hopen dat ze door eigenlijk niets te zeggen iedereen te vriend houden.

Politici doen dit graag. Zeggen dat je ‘hecht aan een constructief overleg met alle stakeholders’, maar vervolgens probeer je die afschaffing van de dividendbelasting er gewoon doorheen te drukken. En als dan blijkt dat zelfs Unilever dat cadeau van 1,9 miljard niet hoeft, zeg je niet dat je dom en koppig bent geweest, maar ga je je ‘bezinnen’ op een ‘heroverweging’.

Of denk aan voetballers. Die verliezen een wedstrijd met 7-0, maar roepen dan doodleuk tegen de interviewer dat ze ‘blij zijn met de leerpunten die we meenemen naar de volgende wedstrijd’.

Pleur op met je leerpunten. Je hebt gewoon kei slecht gespeeld. En als je de dividendbelasting wilt afschaffen, wees dan een vent en zeg gewoon dat je Unilever en Shell belangrijker vindt dan de gemiddelde leraar of verpleger.

Als u dit met mij eens bent, dan zult u met veel plezier het nieuwste boek van Japke-d Bouma lezen. De boodschap die ik uit haar boek haal is simpel: jargon is taalverarming.

Het is bijna altijd onnodig. En dat is niet louter een kwestie van smaak. Al dat vreselijke jargon leidt tot maatschappelijke problemen. Denk maar aan burgers die cynisch raken omdat bestuurders aan de ene kant zeggen ‘pro-actief de toekomst te willen verbinden met het verleden’, maar vervolgens geen zak doen aan de echte problemen.

En natuurlijk vraag je je na het lezen van het boek af: waarom doen we toch zo moeilijk?

Het antwoord op die vraag is simpel: we gebruiken moeilijk taalgebruik, omdat dat makkelijk is. U hoort het goed: moeilijk doen is de makkelijke weg. En het omgekeerde is ook waar: dingen simpel en begrijpelijk houden, is heel moeilijk.

Denk maar aan die tekst die ik u aan het begin van mijn speech voorlas. Wie daar begrijpelijk Nederlands van wil maken, is zo een half uur verder. Ik heb dat gedaan en heb er dit van gemaakt:

“Laten we proberen de toevoer van verse producten van het land naar het winkelschap te verbeteren. Het gaat nu vaak fout, omdat klanten soms meer of minder versproducten kopen dan de producenten van te voren hadden bedacht. Of omdat er een slechte oogst was. Het is voor iedereen fijner als je ervoor zorgt dat je beter kunt inschatten hoeveel producten de klanten gaan kopen. Verder kun je ook proberen om klanten iets anders te laten kopen dan ze van plan waren.”

Ik laat graag aan u welke versie u beter vindt.

Van Japke-d weet ik het antwoord wel. Maar ik weet ook dat het nog lang zal duren voordat begrijpelijk taalgebruik normaal is.

En daarom hebben we Japke-d zo hard nodig. Zij vervult dezelfde rol als de nar bij het carnaval. Voor alle haters van carnaval: vergeet even die afschuwelijke muziek en de dronken mensen. Oorspronkelijk is carnaval bedoeld als omkeringsritueel. De burgemeester legt zijn ketting af en zet een masker op, waardoor hij zijn macht verliest en onherkenbaar is. De zakenman ontdoet zich van zijn stropdas en loopt in een eenvoudige boeren kiel. En de frietboer heet Prins Carnaval en is de baas.

En dan drijven we, met hulp van de nar, een week lang met alles de spot. Zonder taboes. We ontzien niks of niemand. Dat dient een belangrijk doel: als je alles belachelijk maakt, zie je pas wat echt van waarde is.

Ik koester die nar. De figuur die ons laat zien hoe idioot we ons soms gedragen. Die ons een spiegel voorhoudt. Zodat we zelf weer gaan nadenken.

En dat is precies wat Japke-d doet en waarom we haar moeten koesteren. Japke-d is onze taalnar. Ze roept ons allen tot de orde: waarom zeggen we de dingen zoals we ze zeggen? Wat levert dat op? Waarom zou dat niet anders kunnen?

Soms laat zij zien dat er prachtige taalvernieuwingen zijn, zoals spitsuurgezin. Dat begrijpt iedereen direct. Maar als het fout gaat, en iemand roept dat hij ‘een stukje visie wil neerzetten’, roept Japke-d ons terecht tot de orde. Ik citeer: “Stop ermee. Stukjes zitten in je neus, of in een puzzeldoos”.

Wat mij betreft laat zij ons op deze manier zien dat de wereld mooier is als we begrijpelijke taal gebruiken. Hoe moeilijk dat ook is.

Dames en heren, dat wilde ik even tegen jullie aanhouden.

Leve het vrije woord. En lang leve Japke-d Bouma!

Wie een ander wil helpen geeft geen onbewezen advies, maar een brood

Onderstaande tekst is een ingekorte bewerking van de preek die ik op zondag 9 september 2018 heb gegeven in theater De Kleine Komedie in Amsterdam.

Het gaat goed met de wereld. Er is minder honger, minder oorlog, we hebben meer en betere medicijnen, betere politici en meer kennis. Dat is uiteraard geen vrijbrief om achterover te leunen, maar wel een broodnodige relativering ten opzichte van alle doemdenkers op deze aarde die zeggen dat het allemaal de verkeerde kant op gaat.

Dat het zo goed gaat, wil uiteraard niet zeggen dat ik me nergens druk om maak. Ondanks onze enorm toegenomen kennis en welvaart, zijn er nog altijd mensen die buiten de boot vallen. Mensen zonder succes. Mensen die gefaald hebben.

Voor hen staat al jaren een leger aan adviseurs klaar. Ze noemen zich trainer, coach, verbinder, trendwatcher, managementgoeroe, futurist en zelfs bevliegeraar. Deze mensen hebben advies voor iedereen die faalt. Zij beweren de weg naar succes te kennen. Of ze beweren dat ze weten hoe je de kans op succes kunt vergroten.

Een greep uit hun arsenaal aan succesformules: wie succes wil, moet niet alleen zichzelf blijven, maar ook uit zijn comfort zone komen, authentiek zijn, zijn why kennen, een elevator pitch hebben, SMART doelen stellen, een succesmindset ontwikkelen, denken, dromen en doen, visie tonen, eigenaarschap omarmen, een stip aan de horizon formuleren, zelfsturende teams maken, een zwarte band halen in lean management, stoppen met klagen, je processen agile aanvliegen, falen als geen optie zien, erin geloven, optimistisch zijn, onderscheidend zijn, leren van tribes, problemen als uitdagingen zien, positief denken, de klant meenemen in een customer journey, de ja-maar houding vervangen door een ja-en houding, omdenken, heldere keuzes maken, focussen, out-of-the-box denken, hard werken, nooit opgeven, kansen in bedreigingen zien en de blik naar voren gericht houden.

Alleen dan schijn je echt in je kracht te kunnen staan.

En mochten deze adviezen kloppen, dan is succes maakbaar. Of kun je in elk geval stellen dat je je kansen op succes kunt vergroten. En als succes maakbaar is, dan is falen verwijtbaar.

Immers, als we zouden weten dat mensen die zichzelf blijven succesvoller zijn dan mensen die niet zichzelf blijven, dan hebben mensen die niet zichzelf blijven en falen een waardevol advies in de wind geslagen. En dan moet je niet zeuren dat het allemaal tegenzit.

De grote vraag is: hoe kunnen we weten of die adviezen zinvol zijn?

Het antwoord op die vraag is simpel: wie meer wil weten, verdiept zich in de weten-schap. Dat is het hoogste podium voor onze kennis. De Champions League van het denken. De wetenschap velt geen oordeel bij meerderheid, maar bij waarheid. En durft die waarheid weer kritisch tegen het licht te houden.

En als het gaat om adviezen rond succes, betekent de wetenschappelijke methode dat we ons bij ieder advies de vraag stellen: hoe is dat advies tot stand gekomen? Heeft de adviseur een, zoals de Tilburgse hoogleraar Jelte Wicherts dat noemt, matige, milde of meedogenloze onderzoeksmethode gebruikt?

Matige onderzoeksmethoden zien we bijvoorbeeld bij de zeer populaire Britse goeroe Simon Sinek en zijn claim dat succesvolle bedrijven beginnen met hun ‘why’. Hij baseert zich enkel op anecdotes en doet geen enkele poging om zijn verhalen systematisch te toetsen.

Adviseurs die dat soort matige onderzoeksmethoden gebruiken om adviezen te staven, zetten zichzelf in een rijtje met waarzeggers, chakra readers, wichelroedelopers en andere fantasten. Het is van een zeer bedenkelijk niveau.

Een stapje hoger komen we uit bij milde onderzoeksmethoden. Dan is er wel een poging gedaan om tenminste iets van systematisch onderzoek te doen. Denk aan een enquete waarin we allerlei managers vragen waarom hun bedrijf wel of niet succesvol is en hoe ze daar zijn gekomen.

Maar wie dit soort milde onderzoeksmethoden gebruikt, kan nog altijd geen harde conclusies trekken. Antwoorden op enquetes zijn behoorlijk onbetrouwbaar. We weten dat mensen geneigd zijn succes toe te schrijven aan zichzelf, en falen aan omstandigheden.

Kortom, met matige of milde onderzoeksmethoden kunnen we nog altijd geen goed onderbouwde adviezen doen over succes. We blijven hangen op ‘het zou kunnen dat’ en ‘wellicht is het verstandig om…’.

Wie keihard bewijs wil, komt terecht in de wereld van meedogenloos onderzoek. Op het gebied van succes betekent dat allereerst onderzoek doen met een testgroep en een placebogroep. Zorgen dat je twee volstrekt identieke groepen met elkaar vergelijkt. Werkelijk alles moet precies gelijk zijn, van talent tot omstandigheden en van geluk tot ervaring. Behalve op die ene factor die je wilt onderzoeken. En dan moet je dat ook dubbelblind maken: de proefpersonen mogen niet weten of ze tot de testgroep of de placebogroep behoren.

En dan ben je er nog niet. We weten inmiddels dat wetenschappers het liefst lekker in hun data gaan spitten totdat ze een verband hebben gevonden. En er dus ook niet voor terugdeinzen om data die hen niet bevalt eruit te knikkeren. Ze doen alles om maar een prachtig verband te vinden tussen X en Y. Zelfs als dat verband in werkelijkheid niet bestaat. Op deze manier hopen ze hun kans op publicatie in een toonaangevend blad te vergroten.

Om dat probleem tegen te gaan, hebben wetenschappers gelukkig al iets bedacht: pre-registratie. Het betekent dat onderzoekers vooraf al groen licht krijgen voor publicatie, ongeacht de uitkomst. Het maakt dus niet meer uit of ze een verband vinden.

Maar zelfs als een onderzoek dubbelblind is en is uitgevoerd met pre-registratie, dan zijn de uitkomsten nog altijd niet keihard. Er is nog een probleem. In de menswetenschappen is de laatste jaren, onder meer door de Amsterdamse hoogleraar Eric-Jan Wagenmakers een grote ontdekking gedaan: toen wetenschappers elkaars onderzoek over gingen doen, bleken vaak de oorspronkelijke resultaten niet te verschijnen. Van alle psychologische onderzoeken die inmiddels wel zijn overgedaan, bleek de overgrote meerderheid niet het oorspronkelijke effect te geven. We noemen dit het replicatieprobleem.

Wie meedogenloze conclusies wil over succes, moet dus een dubbelblind onderzoek met pre-registratie uitvoeren en dat vervolgens door andere onderzoekers laten overdoen.

U raadt het al: dat is niet te doen. Je zult die standaard nooit halen. Wie onderzoek doet naar succes, kijkt met jaloezie naar vakgebieden als de geneeskunde, wiskunde, chemie, natuurkunde. Daar is meedogenloos onderzoek aan de orde van de dag. Onze kennis over de temperatuur waarbij ijzer smelt is meedogenloos. Geen enkele twijfel. Net zoals we zeker weten dat de aarde rond is en dat paracetamol koortsverlagend werkt. Wie echter wil weten of ‘jezelf blijven’ helpt bij succes, komt wetenschappelijk gezien nooit verder dan: ‘we hebben geen idee’.

En dat maakt alle adviezen op het gebied van succes vrijblijvend. Ze werken misschien, soms, af en toe, of niet. Maar welk advies in welke categorie valt en onder welke omstandigheden het zinvol is of niet, zullen we nooit zeker weten.

En precies daarom ben ik zo kritisch op mensen die claimen dat ze wél weten wat leidt tot succes. Zo claimt de Amerikaanse hoogleraar Angela Duckworth in een veelbekeken Ted-talk dat het geheim tot succes enkel passie en doorzettingsvermogen is. Volgens haar heeft succes niets te maken met je achtergrond, het opleidingsniveau van je ouders of geluk. Alles is mogelijk voor wie zijn passie vindt en doorzettingsvermogen toont.

Maar wat ze er niet bij vertelt, is dat ze haar conclusies baseert op enquetes. Angela Duckworth heeft dus niet in de praktijk getest of mensen die zeggen gepassioneerd te zijn en zeggen dat ze altijd door zetten, dat ook feitelijk doen.

En daar komt nog bij dat ze die enquete enkel heeft afgenomen onder zeer succesvolle mensen. De onderzoekspopulatie bestond uit studenten van de elitaire Ivy League, topfitte cadetten van de West Point Academy en goedpresterende deelnemers aan het Nationaal Dictee. Aan deze mensen heeft Angela Duckworth, hoogleraar psychologie, de vraag gesteld of de oorzaak van hun succes passie en doorzettingsvermogen was. En wat blijkt: succesvolle mensen vinden inderdaad van zichzelf dat ze heel veel passie en doorzettingsvermogen hebben.

En op basis van dit onderzoek, of liever gezegd op basis van dit methodologische mijnenveld, schreef Angela Duckworth het boek Grit. Dat boek gebruiken scholen in Amerikaanse achterstandswijken als lesmethode. Kinderen krijgen dan te horen dat uit onderzoek blijkt dat alles kan, als je maar wilt.

Ik verzet mij tegen dat soort praktijken. We weten niet wat leidt tot succes. En we weten dus ook niet of falen verwijtbaar is.

Trainers, adviseurs en coaches die claimen dat ze manieren weten om uw kans op succes te vergroten, zijn charlatans. Gevaarlijke oplichters die bijdragen aan de overtuiging dat falen je eigen schuld is.

Wat mij betreft geven we daarom voortaan de miljoenen die de motivatiemaffia in zijn zakken steekt aan mensen die echt helpen, zoals de 89-jarige Gerrit Poels. Poels brengt elke nacht op zijn fiets broden bij mensen die dat nodig hebben.

Wie echt een ander wil helpen, geeft geen onbewezen advies, maar een brood.