Een van de belangrijkste oorzaken van de economische crisis bleken onbegrijpelijke financiele producten te zijn waar zelfs bankdirecteuren niets meer van begrepen. Alleen goed ingevoerde financiele topexperts zagen door de bomen het bos nog. Het gevolg: een branche die in no-time in elkaar klapte en de complete economie mee nam in haar val. Inmiddels lijkt het tij te keren. De ‘saaie’ Rabobank blijkt ineens een solide instelling en wordt geprezen om zijn simpele producten, nog steeds gestoeld op de oorspronkelijke gedachte van een boerenleenbank. En gelukkig volgen andere banken hun voorbeeld. Iedere directeur zegt nu: ‘als ik het niet begrijp, en de consument begrijpt het niet, dan doen we het gewoon niet’.
Een dergelijke slag zou de overheid ook nog kunnen maken. Net als die ingewikkelde financiele producten, zit de gemiddelde ambtelijke notitie rond thema’s als jeugdzorg, ondernemerschap of de stimulering van de economie vol met instanties, afkortingen en vakjargon waar het een buitenstaander van zal duizelen. Wie een discussie tussen beleidsambtenaren en wethouders bijwoont, voelt zich een immigrant op inburgeringscursus: ‘doorzettingsmacht’, ‘een stukje strategie ontwikkelen om vanuit de voorkant je proces te organiseren’ en ‘het probleem hoe we vanuit de organisatie de afstemming met het veld optimaliseren zonder het primaire proces uit het oog te verliezen’. Al snel bekruipt je het gevoel dat er dagelijks nieuwe afkortingen, instanties en ‘strategische allianties’ bijkomen die eigenlijk allemaal afleiden van waar het eigenlijk om gaat: wat is er nodig om te helpen?
De Tilburgse pater Poels zou een lichtend voorbeeld moeten zijn voor iedereen die zich schuldig maakt aan dergelijk taalgebruik. Iedere nacht staat de inmiddels 80-jarige om 1 uur ‘s nachts op om door heel Tilburg brood te bezorgen bij gezinnen die dat nodig hebben. Dat brood zamelt hij overdag in bij bakkers, die hem kosteloos helpen. Poels over zichzelf: ‘Ik ben geen hulpverlener. Ik help’. Hij gaat er prat op ‘consequent inconsequent’ te zijn. Vindt zelfs de voedselbanken al te veel geinstitutionaliseerd: ‘Daar worden nu ook al beleidsplannen geschreven. Die tijd had je ook kunnen gebruiken om voedsel in te zamelen en uit te delen’.
Natuurlijk zit er enorm gat tussen de 80-jarige pater en de gemiddelde beleidsambtenaar. De laatste moet verantwoording afleggen, heeft een enorme organisatie om zich heen en moet samenwerken met tientallen organisaties. Maar zou het niet mooi zijn als steeds meer overheidsdienaren opstaan die zich alleen nog maar bezig houden met de vraag: ‘Wat is hier nodig?’ en zichzelf iedere dag voornemen het antwoord op die vraag in kindertaal te beantwoorden. Dan hebben we het nooit meer over een ‘Indicatiestelling van een multi-problemkind waarop output moet worden geproduceerd’, maar over een ‘kind dat over half jaar weer kind is’. Dat moet toch lukken?
Follow @rengelfriet